De man uit Cabinda, of hoe mijn boek zijn titel kreeg

Op de luchthaven van Schiphol voerde ik eens een gesprek met een Angolese vluchteling zonder identiteitspapieren. Ik moest als ambtenaar van de immigratiedienst verifiëren of hij daadwerkelijk uit Angola kwam, en stelde hem bij wijze van test vragen over zijn land. Hij was geschiedenisleraar geweest er vertelde uitgebreid over de historie van zijn land; hij begon bij de ontmoeting tussen de Portugese ontdekkingsreiziger Diogo Cão en de koning van de Kongo (in 1482) en eindigde bij de recente burgeroorlog. Ook vertelde hij over Cabinda, het deel van het land waar hij zelf vandaan kwam en dat nog steeds voor onafhankelijkheid strijdt.

Een volk van filosofen
Daarna vroeg ik hem om iets te vertellen over de cultuur van zijn land. Hij vertelde over de traditionele dansen en over de marimba, een traditioneel muziekinstrument. ‘Wij zijn sterk in spreekwoorden’ zei hij, ‘daarom spreekt men vaak over het Angolese volk als filosofen.’ Ik vroeg hem om wat spreekwoorden te noemen (lees hier meer over het gebruik van spreekwoorden in Angola). Het zijn wijsheden die generaties lang zijn doorgegeven:
’Een goede zoon geeft iedere dag een cadeau.
Dood niet zomaar een kip omdat jouw vader een rechter is. Voor het recht zijn wij allen gelijk.
De echte mens is vaak in het woud gebleven. Dat wil zeggen: vaak blijft onze voetafdruk in de akker.
De hond heeft vier poten, maar hij loopt niet op twee wegen. Dat gebruiken we bijvoorbeeld als je verschillende dingen tegelijk moet doen. Dat kan niet.
Mijn vader heeft een huis gebouwd zonder deur. Dat is het ei, dat is leeg. Vaak spreken mensen als het ei leeg is; je kunt niet over een ei spreken als het leeg is. Vaak doen mensen de dingen in het lege; wij kunnen het niet vullen wanneer het gesloten is.
Als een jongen wil trouwen in Angola, dan moet hij geld geven, omslagdoeken, drank. Het is niet het kopen van de vrouw. Dan weet je de waarde niet van iets. Het is een manier om respect te tonen zodat jij je vrouw niet misbruikt.’

Bibliotheek
Na alles wat hij verteld had, was wel duidelijk dat hij een echte Angolees was. Ik vroeg hem of hij iets kon vertellen dat hij mooi vond aan zijn land. Zijn antwoord gaf mij de titel van het boek.
’Ik hou van de avond, de nacht, en dan de maan. Er zijn veel dorpen waar geen elektriciteit is. Bij maanlicht vertelden de ouderen verhalen. Wij zaten rond de ouderen en luisterden. Dat vond ik altijd heel fijn. De meeste ouderen hebben rotte tanden, maar hun raadgevingen zijn goed vanwege hun levenservaring. Onze verhalen worden mondeling overgebracht en wij beschouwen ouderen als een bibliotheek. Als zij sterven, dan sterft er een bibliotheek. Als die verhalen verteld werden, dan danste iedereen op straat. Ik zou graag het verhaal van mijn opa vertellen, mag dat?’

Ik stemde toe.

‘Er was eens helder maanlicht en mijn opa vertelde een verhaal. Hij vertelde dat een aap een krokodil tegenkwam bij de rivier. Ze groetten elkaar en raakten bevriend. Iedere dag ontmoette ze elkaar op die plek. Op een dag zei de krokodil: “ik zou het leuk vinden als je mijn huis bezoekt”. De aap antwoordde: “jij zwemt, maar ik kan niet zwemmen”. Daar wist de krokodil een oplossing voor: “ik neem je op mijn rug, je zult niet eens nat worden”. De aap stemde in: de volgende dag kwam de krokodil uit het water en de aap klom op zijn rug. De krokodil nam de aap mee naar een grote rivier op. Toen ze midden in de rivier waren, zei de krokodil: “de koning van de krokodillen is ziek en de dokter zei dat hij om beter te worden het hart van een aap moet eten”. “O”, reageerde de aap geschrokken: “nu moet ik dus sterven. Maar dit had je veel eerder moeten zeggen, mijn hart is blijven hangen aan een boom aan de kant van de rivier”. De krokodil geloofde de aap niet: “dat is een leugen, we gaan jou opeten”. Maar de aap bleef volhouden: “als jullie mij eten en jullie vinden het hart niet, dan herstelt de koning niet. Het hart is daar gebleven, we moeten terugkeren”. “Nee”, zei de krokodil, “we moeten gaan, je hebt je hart bij je”. “Maar”, zei de aap, “als jullie mijn hart niet vinden, dan krijg je problemen met de koning van de krokodillen”. Daar schrok de krokodil van. “Misschien heb je wel gelijk,” zei hij. Hij draaide zich om en zwom terug naar de boom. Toen ze dicht bij de boom waren, sprong de aap van de rug van de krokodil en greep zich vast aan een tak van de boom. “Nu is mijn hart waar het hoort te zijn, ” riep de aap.

Dat is de les, zei mijn opa, we moeten voorzichtig zijn in de keuze van onze vrienden.’

De kikker en de schorpioen
De asielzoeker had zijn verhaal met zichtbaar plezier verteld. Het deed me denken aan een fabel uit de film ‘The crying game’: het verhaal van de kikker en de schorpioen. De Angolees was een echte liefhebber. Stralend luisterde hij naar het verhaal, iedere keer met spanning wachtend op de volgende zin die de tolk voor hem vertaalde. Dit is het verhaal dat ik hem vertelde.

Een schorpioen stond aan de oever van een grote rivier. Hij wilde naar de overkant, maar hij kon niet zwemmen. Toen zag hij de kikker. “Kun jij me naar de overkant brengen?” vroeg de schorpioen aan de kikker. Maar de kikker kende het verhaal van de krokodil en de aap. “Als ik dat doe, zul je me steken”. “Dat zou dom van me zijn”, zei de schorpioen, “want dan verdrinken we allebei.” De kikker vond dat logisch en besloot de schorpioen te helpen. Hij nam de schorpioen op zijn rug en begon naar de overkant te zwemmen. Toen de twee halverwege waren, voelde de kikker een brandende pijn in zijn nek en begreep dat de schorpioen hem gestoken had. De kikker voelde zijn krachten uit zijn lichaam verdwijnen en zonk langzaam naar beneden. “Waarom doe je dit”, riep de kikker met zijn laatste adem, “nu sterven we allebei!” “Ik kan het niet helpen”, antwoordde de schorpioen, “het ligt in mijn aard.”




© 2006-2008 www.mijn-eigen-website.nl